THEATER BESLUIT ONTRAFELT

Geacht College,

Onlangs heeft u ter inzage gelegd het bestemmingsplan voor het nieuwe theater aan de Parade.

Graag wil ik van deze gelegenheid gebruik maken om mijn bezwaren tegen dit bestemmingsplan kenbaar te maken.

De massaliteit van het ontwerp in de stedebouwkundige omgeving en zijn dominantie.
De wijziging van het bestemmingsplan wordt voorgesteld ten behoeve van de nieuwbouw van het Theater aan de Parade. Deze nieuwbouwplannen van UNStudio voorzien in een nieuw gebouw met een aanzienlijk grotere massaliteit dan het huidige theatergebouw. De massaliteit van het ontworpen nieuwe gebouw zal vooral blijken, wanneer men zicht op de St. Jan wil hebben vanaf de (beschermde) open ruimte in het Bossche Broek. Een vergezicht dat in het verleden onderwerp is geweest van vele schilderingen en foto’s, dat tegenwoordig al enigermate is aangetast door de toneeltoren van het huidige Theater, maar dat totaal zal worden aangetast door de massaliteit van de geprojecteerde nieuwbouw. Daarmee komt dit bestemmingsplan dus flagrant in strijd met het beschermd stadsgezicht, dat voor ’s-Hertogenbosch geldt. De massaliteit van de nieuwbouw is ook  aan de achterzijde van het pand goed zichtbaar, ten detrimente van het woongenot van de omwonenden. Aan de voorzijde wordt ze extra benadrukt ten eerste door de wijziging van de rooilijn, waardoor het gebouw naar voren komt, wat ook het vrije zicht van de Triniteitsstraat op het zuidertransept van de St. Jan aantast. Ten tweede door een hoogte van 19 meter, aanzienlijk meer dan alle andere bebouwing aan de Parade, afgezien van de St. Jan. Ten derde door de grote open en – in de avonduren – verlichte gevel over een flinke breedte van het gebouw.

Aan de huidige Parade domineert – terecht – alleen de monumentale St. Jan. Alle overige gebouwen zijn er verre ondergeschikt aan. Ook het Bisschoppelijk Paleis en zelfs ook het huidige Theater aan de Parade, dat weliswaar geen toppunt van schoonheid is, maar (afgezien van de toneeltoren) toch niet domineert, omdat het verschillen in parcellering vertoont, qua hoogte, indeling en raampartijen. In de ogen van de ontwerpers heeft het nieuwe gebouw ook uitdrukkelijk het doel om het plein te domineren. Op hun website schrijven zij:  “Four shifting cubes protruding above the nearby treetops”  en  “the facades of the public space are constructed from glass so that the theatre building and the public square seamlessly merge and visitors become part of the show”.

Deze laatste opmerkingen wijzen al op de psychische dominantie welke het nieuwe gebouw zal uitoefenen. Waar de St. Jan een grotendeels gesloten facade aan de Parade heeft, wat het tot een  introvert gebouw maakt, zal het nieuwe theater met zijn enorme verlichte glasfacades een zeer extroverte uitstraling hebben. De ontwerpers zullen dat ook wel zo bedoeld hebben. Tegenover een godshuis, dat op de moderne mens steeds minder aantrekkingskracht heeft, willen zij een showhuis  bouwen, dat de moderne mens  veel meer moet aantrekken.   Maar moet een stadsbestuur deze verandering in het cultuurpatroon zozeer willen benadrukken?

De vraag moet ook gesteld worden, of deze grondige ingreep op deze plaats nu zo nodig is voor het culturele leven in ’s-Hertogenbosch. Had het niet kunnen blijven bij een flinke renovatie van het bestaande gebouw?  In de nota bij het bestemmingsplan (hierna te noemen:  de Nota) geeft u onder punt 4.2.1 een opsomming van de Knelpunten in het huidige theatergebouw, welke voor u de redenen zijn, waarvoor u hebt gekozen “om een nieuw, toekomstbestendig theatergebouw te realiseren.” Ik ga die punten hier achtereenvolgens na.

A. De toneelafmetingen en technische faciliteiten van de Grote Zaal zijn inmiddels te klein voor het kunnen ontvangen van huidige, grote theaterproducties en concerten, waardoor steeds vaker programma’s aan de Parade voorbij gaan.

Men moet zich afvragen hoe groot en hoedanig de toneelafmetingen en technische faciliteiten in de Grote Zaal van het ontwerp van UNStudio  zullen worden in vergelijking met het huidige gebouw en met andere theaters in middelgrote Nederlandse, Belgische, Duitse etc. steden, die de programma’s brengen, die aan het huidige Theater aan de Parade voorbij gaan? Trouwens, welke programma’s waren dat de afgelopen 3 jaar? En tenslotte: als uit deze vergelijkingen blijkt, dat een bepaalde vergroting van de toneelafmetingen en een verbetering van de technische faciliteiten van de Grote Zaal een redelijke wens is, kunnen die vergroting en verbetering niet aangebracht worden in het huidige theater en welk bedrag zou daar dan mee gemoeid zijn?

Deze vragen worden in de toelichting op het ter inzage gelegde ontwerp-bestemmingsplan niet gesteld en ook niet beantwoord. Wel wordt daarin toegegeven, dat de Grote Zaal in het ontwerp van UNStudio nauwelijks meer plaatsen zal bieden dan de huidige Grote Zaal, zodat de grootste producties qua gewenste bezoekersaantallen toch ook in het nieuwe theater niet mogelijk zijn. Trouwens, een middelgrote stad hoeft ook niet per se de ambitie te hebben om alle grootste theaterproducties binnen te halen, wanneer die wel binnen redelijke afstand elders in Brabant kunnen plaatsvinden (Eindhoven, Tilburg, Breda). Mijn inschatting is, dat het voorbijgaan aan Den Bosch van voorstellingen meer het gevolg is van planningsproblemen (zie hierna punt b) en van krapte in de financiële middelen (zie de conclusies hieronder).

B. De Pleinzaal is technisch en qua stoelcapaciteit niet geschikt voor middelgrote theatervoorstellingen en concerten (o.a. door een te kleine speelvloer). Middelgrote producties spelen nu noodgedwongen in de Grote Zaal, hetgeen afbreuk doet aan voorstelling en beleving. Daarnaast ontstaan in de agenda planningsproblemen en zijn er nauwelijks of geen mogelijkheden voor een flexibele programmering op de juiste agendamomenten. Het ontbreken van een goede tweede zaal is een van de grootste problemen in het huidige gebouw.

Ook hier rijzen weer vergelijkbare vragen: hoeveel technische faciliteiten, stoelcapaciteit en speelvloer krijgt de tweede zaal in het ontwerp van UNStudio in vergelijking tot het huidige gebouw en met de “tweede zalen” gemiddeld  in de andere theaters in middelgrote Nederlandse, Belgische, Duitse etc. steden, waar wel een flexibele programmering mogelijk is? En tenslotte: als uit deze vergelijkingen blijkt, dat een bepaalde vergroting of verbetering van de technische faciliteiten, de stoelcapaciteit en de speelvloer van de tweede zaal een redelijke wens is, kunnen die dan niet worden aangebracht in de huidige Pleinzaal en welk bedrag zou daar dan mee gemoeid zijn? Ook deze vragen worden in de toelichting op het ter inzage gelegde ontwerp-bestemmingsplan niet gesteld en beantwoord.

Het is overigens ook de vraag of het voor het cultuurbeleid in een middelgrote stad als ’s-Hertogenbosch nodig is, dat er naast een zaal voor grote producties, in hetzelfde gebouw ook een zaal is voor middelgrote producties. Het zou kunnen zijn, dat die middelgrote producties in een andere zaal in de stad kunnen plaatsvinden. Tot op zekere hoogte biedt daarvoor de Verkadefabriek al een podium. Ook andere gebouwen in de stad kunnen dergelijke producties herbergen (denk aan De Heun). Het argument voor een tweede zaal is vooral financieel: men denkt dat dit de exploitatie ten goede komt – althans dat dacht men bij de bouw van het huidige theater in 1972 –  maar dat argument is twijfelachtig gebleken. De Nota stelt immers, dat er juist planningsproblemen optreden, dat er is geen afsplitsing van (foyer)ruimtes mogelijk is, waardoor gelijktijdig gebruik van beide zalen wordt bemoeilijkt of publiekstromen elkaar in de weg zitten, dat ruimtes op verkeerde plekken liggen ten opzichte van elkaar en  de logistiek in het gebouw  moeizaam is. Alle reden dus om je af te vragen of het inzetten op een tweede – en nu meer forse – middenzaal wel verstandig is.

C. Het huidige gebouw (1976) is in alle opzichten zwaar verouderd, zowel ruimtelijk (architectuur, indeling), technisch (o.a. theatertechniek, klimaatinstallaties) als qua uitstraling.

Ook hier had de vraag gesteld en beantwoord moeten worden wat het peil is van theatertechniek, klimaatinstallaties, indeling, etc . die in het ontwerp van UNStudio gehaald worden in vergeleken met dat wat in het huidige theatergebouw  en andere theaters in middelgrote Nederlandse, Belgische, Duitse etc. steden wordt gehaald. En als uit deze vergelijkingen blijkt, dat een bepaalde verbetering daarvan een redelijke wens is, of die dan niet kunnen worden aangebracht in het huidige theater en welk bedrag daar dan mee gemoeid zou zijn? Evenmin wordt informatie gegeven op de vraag hoever het ontwerp van UNStudio gaat in energieneutraliteit – en dat is juist – naast de kwestie van sloop – hét belangrijkste “duurzaamheidspunt” dat aan de orde zou moeten komen.

Deze stelling is dus ook weer niet onderbouwd, en bovendien is het een open deur. Uiteraard is een gebouw, dat 40 jaar oud is, “verouderd” zowel qua techniek als qua uitstraling. Ook het nieuwe gebouw zal alweer na 10 of 20 jaar verouderingsverschijnselen gaan vertonen. Maar verouderde gebouwen kunnen heel vaak weer door een flinke renovatie bij de tijd gebracht worden en ook qua uitstraling blijven voldoen. Men zie naar de vele duizenden voorbeelden daarvan in ons land en in heel Europa. Ook theaters. Men zie dit in het Concertgebouw in Amsterdam, de geheel gerenoveerde Stadsgehoorzaal in Leiden, in de Doelen in Rotterdam, enz.

Kennelijk gaan B. & W. er van uit, dat de “verouderde uitstraling” en faciliteiten van een bepaald gebouw niet met verbouwing te overwinnen zijn. Dit is echter een volledig achterhaald beeld. Talrijk zijn de voorbeelden van projecten, waarin tegenwoordig architecten van naam oude gebouwen een geheel nieuwe uitstraling weten te geven. Men noemt dat dan tegenwoordig geen verbouwing meer, maar “restyling”, waarbij echter de essentie hetzelfde blijft: het bestaande gebouw wordt niet afgebroken maar “upgraded”. De markt voor “restyling” is enorm aan het groeien. In Milaan alleen al wordt voor dit jaar een groei van 83% vergeleken met vorig jaar voorzien (Correra della Sera 19 maart 2016).

D. De uitstraling en de inrichting van de publieksruimtes (theatercafé, foyerruimtes) worden niet als sfeervol ervaren. Het theatercafé is bovendien te klein, heeft te weinig zitplaatsen en heeft beperkte restauratieve faciliteiten. Daarnaast speelt een rol, dat het huidige gebouw is gebouwd in een tijd dat het publiek naar een voorstelling ging. Het zwaartepunt lag daarbij op de theaterzaal. Tegenwoordig komt men voor een totale theaterervaring waarbij ook andere publieksruimtes (foyer, café) nadrukkelijk van belang zijn. In het huidige theatergebouw aan de Parade voldoen deze ruimtes onvoldoende aan de wensen en verwachtingen van de bezoekers.

Hoe is aangetoond, dat de uitstraling en de inrichting van de publiekruimtes niet als sfeervol worden ervaren? En als dat al zo is, is dat dan niet met eenvoudige middelen te verhelpen? Hierbij kan verder nog worden aangetekend, dat het hele cafégebeuren rondom de Parade traditioneel mede gericht is op het bezoek aan het Theater aan de Parade. Men gaat voor de voorstelling uiteten in de restaurants van de Korte Putstraat en na de voorstelling nog even naar de cafés rondom de Parade. Het is zeer de vraag of men de horecafaciliteiten wel met gemeenschapsgeld moet willen uitbreiden of uitbreiding zou moeten overlaten aan dit cafégebeuren rondom de Parade. Het is het bekende vraagstuk van paracommerciële activiteiten door de overheid. Trouwens, de huidige restauratieve mogelijkheden van het huidige Theater aan de Parade worden nog niet eens benut (meestal kun je er noch vóór, noch na de voorstellingen blijven eten of drinken), omdat de kosten (personeelskosten plus opslag)  ervan kennelijk hoger liggen dan in het commerciële gebeuren rondom de Parade. Gaat dat dan met een nieuw duur gebouw anders worden?   Hier moet bovendien de vraag gesteld worden, of – wanneer B&amp;W zo hechten aan een totale theaterervaring – er geen combinatie mogelijk is van de bestaande Pleinzaal met het restaurantgedeelte, zodat in deze zaal optredens/concerten kunnen plaatsvinden, <em>terwijl</em> het publiek van een maaltijd of van aperatiefs genieten kan. Dan voegt men echt iets toe aan het totale uitgaanspakket  rondom de Parade, wat men met puur een restauratieve voorziening (meer van hetzelfde!) niet doet.

Conclusies
Samenvattend mag wel worden gesteld,  dat de redenen, die B&amp;W op p. 27 van de Nota bij het bestemmingsplan geven om niet voor een renovatie van het huidige theater te kiezen, maar voor een nieuw theatergebouw, nauwelijks onderbouwd zijn. Het is niet veel meer dan een opsomming van de beperkingen, die het management van het huidige theater in de dagelijkse praktijk voelt. Goed bestuur wil echter niet zeggen dat men dan voor een wegwerpen van het oude gebouw moet kiezen. Men heeft de taak om te onderzoeken of verbeteringen niet net zo goed en misschien zelfs veel voordeliger tot stand te brengen zijn in het bestaande gebouw.

Op geen enkele plaats in de nota en de andere stukken die bij het ontwerp-bestemmingsplan ter inzage zijn gelegd, is ook maar iets te lezen over een degelijk onderzoek naar de mogelijkheden en kosten van een verbouwing in vergelijking met die van nieuwbouw. In een tijd, waarin scherp op de gemeentelijke financiën moet worden gelet en onnodige wegwerpcultuur moet worden tegengegaan, zijn dat onvergeeflijke omissies.

In dit verband is het ook van belang te wijzen op de exploitatiekosten van het nieuwe theater. Toen in 1972 in de gemeenteraad werd gediscussieerd over de bouwkosten van het huidige Theater a/d Parade, wees KVP-fractievoorzitter Verkuylen erop, dat de bouwkosten niet zo belangrijk zijn, maar dat men moest kijken naar de exploitatielasten.

Welnu, in de ter inzage gelegde plannen wordt met geen woord gerept van de ontwikkeling van de exploitatielasten in de komende jaren. Er worden vergezichten getoond van de toekomstige programmering: ca. 175 voorstellingen in de Grote Zaal en ca. 125 in de Paradezaal, plus ca. 50 lokale activiteiten in de Grote Zaal en ca. 50 in de Paradezaal. Alles bijeengenomen 300 voortellingsdagen bij ca. 450 bezettingen (Nota, p. 27-28). Dat is inderdaad een forse toename van het huidige aantal activiteiten, maar de vraag rijst dan wel wat het effect daarvan zal zijn op de exploitatie. In het algemeenheid is het namelijk zo, dat grote theaters met verlies draaien. Op elk verkocht kaartje moet geld toegelegd worden. Dat zou misschien minder kunnen , wanneer de zalen een grotere capaciteit krijgen dan zij nu hebben, maar dat zit er niet in (“De bezoekerscapaciteit zal ten opzichte van het huidige theater niet wezenlijk wijzigen”, Nota, p. 28), zodat aangenomen moet worden, dat meer voorstellingen zal leiden tot een groter exploitatietekort.

Het is ook niet aannemelijk dat dat exploitatietekort langs andere lijnen zal verminderen. Immers   de potentieel rendabele  filmvertoningen worden uit het nieuwe theater uitgebannen (“in het nieuwe theater komt geen bioscoopzaal terug”, p. 27 van de Nota). En ook al vermeldt de Nota, dat daarnaast het nieuwe theater mogelijkheid zal bieden aan congressen, symposia, beurzen, etc. (p. 27), dan zal dat toch niet in even grote omvang kunnen als thans, wil men de eerdergenoemde streefgetallen van de eigen programmering halen.  En waarom worden die mogelijkheden thans niet benut?

Samenvattend:
Het nieuwe Theater aan de Parade wordt met het ontwerp van UNStudio qua bouwmassa aanzienlijk groter dan het huidige theater en zal daarom een grote verandering brengen in het beschermd stadsgezicht van ’s-Hertogenbosch.

De noodzaak van deze verandering is niet overtuigend aangetoond. De voorstellers ervan bevestigen, dat het nieuwe theaters geen grotere bezoekersaantallen zal kunnen verwerken dan thans de potentie is van het huidige gebouw.

De beperktheden van het huidige theater staan buiten kijf, al is niet gekwantificeerd hoeveel minder ze zouden moeten zijn. En ook is onvoldoende bekend gemaakt hoeveel minder die beperkingen worden met het nieuwe ontwerp van UNStudio.

Helemaal buiten beeld is gehouden of niet de vermindering van de beperktheden van het huidige gebouw op financieel gunstiger wijze weggewerkt kunnen worden door renovatie i.p.v. nieuwbouw.

In dit bezwaarschrift wordt met name gewezen op het alternatief om de huidige Pleinzaal te integreren met de restauratieve voorziening, zodat daar – behalve congressen, beurzen, huwelijken e.d. – ook middelgrote toneel- en concertproducties kunnen plaatsvinden in een combinatie van eten/drinken.

Dan zouden binnen de bestaande bouwmassa alle verder problemen opgelost kunnen worden en zou voor “restyling” in plaats van voor  sloop-/nieuwbouw kunnen worden gekozen.